Leg de lat niet te hoog

Stadsecoloog Martin Melchers over het Stadionplein

Het Stadionplein kan er bij een herinrichting alleen maar op vooruitgaan, vindt stadsecoloog Martin Melchers. Maar zijn ambities met het plein zijn bescheiden. Meer kansen ziet hij langs de Sport-as, waar de mogelijkheid bestaat wilde natuur tot vlak achter het Olympisch Stadion te laten doorwoekeren. Tekst: Flip van Doorn



Tekening: Karst-Janneke Rogaar, 2008


“Kijk nou, een scholekster op de middenstip!” Zelfs in het Olympisch Stadion ontgaat stadsecoloog Martin Melchers vrijwel niets, en zeker niet als het om flora en fauna gaat. Hij mijmert even over de wedstrijd die hij hier ooit speelde met het jeugdelftal van Blauw-Wit, over hoe hij als jongetje tussen de hekken door glipte om Ajax met 5-1 van Feyenoord te kunnen zien winnen. Mooie herinneringen, maar de natuurwaarde van het stadion zelf is te verwaarlozen. “Zo’n grasmat, daar kun je verder weinig mee. Groen asfalt noemen wij dat. Soms komt er een vogel foerageren, dat is het wel zo’n beetje. Ik heb eens op het Stadionplein rondgekeken, maar ook daar gebeurt niet veel. Een paar nesten van zwarte kraaien, eksters of houtduiven, dan heb je het wel gehad.”
Een plein met een groen randje is het Stadionplein op dit moment niet, verre van dat zelfs. Melchers ziet wel kansen, al legt hij de lat niet hoog. “Het plein is nu een desolate vlakte. Het kan er eigenlijk alleen maar beter op worden. Maar je moet je wel realiseren dat het een nadrukkelijke pleinfunctie heeft. Het is een opstapplaats voor buspassagiers, het ligt dicht bij de Ring, er is een markt, de kermis strijkt er neer. Die functies moet je niet weg willen halen. Noem het misvorming van mijn idealisme, maar ik pas mijn ambities aan.”

Ebo-grens
Het Olympisch Stadion ligt op het punt waar stad en buitengebied tegen elkaar aan schuren. Het Amsterdamse Bos en het Nieuwe Meer vormen samen de habitat van een indrukwekkende lijst dier- en plantensoorten. Langs de oevers van de Schinkel drijft dat gebied een ‘groene scheg’ tussen de stedelijke bebouwing, onder de ringweg A10 door. “In de driehoek rond het Jaagpad en de Schinkeleilanden, met als meest oostelijke punt de oude begraafplaats Huis te Vraag, daar krioelt van alles”, aldus Melchers. “Ook de spoordijk van de museumtramlijn is heel interessant. Die loopt vlak achter het stadion langs. Maar bij de Rijnsburgstraat ligt de ‘ebo-grens.’ Dat is een term die ik zelf heb bedacht; de egel-bosmuisgrens. Groengebonden diersoorten als de egel en de bosmuis komen niet verder dan daar. Ze stuiten op gesloten bouwblokken, vinden geen beschutting meer. Dergelijke soorten ervaren dat echt als een soort stadsmuur. Eigenlijk moet je op de punt van zo’n scheg een sportveldje aanleggen, of op een andere manier dieren uit het buitengebied ontmoedigen de stad in te gaan. Voorbij dat punt hebben ze niets te zoeken.”
Aan de andere kant van het Olympisch Stadion opent de stad zich iets meer. In de bomen langs de Van Tuyll Van Serooskerkenweg leven stadsvogels. “Maar ook daar moet je geen al te hoge natuurambities hebben”, vindt de stadsecoloog. “Wel is het heel jammer dat het gebied achter het stadion iets te enthousiast heringericht is. Ze hebben aan de oever van de Stadiongracht een geweldige rij iepen gekapt en er treurwilgen neergezet. Dat is letterlijk te treurig voor woorden. Als je daar weer iepen neerzet, kunnen grote vogels als de bonte specht de sprong naar de overkant van het Stadionplein wagen. Maar het duurt een generatie voor die iepen groot genoeg zijn.”

Ondergronds
Het Stadionplein zelf biedt weinig mogelijkheden. Ietwat weifelend schetst Melchers een plattegrondje. “Ik zou aan de rand van het plein wat bebouwing neerzetten die aansluit op het Plan Berlage en het stadion. Het belangrijkste is een fatsoenlijke wachtruimte voor buspassagiers, met wat horeca. Ondergronds kan dan een parkeergarage komen van drie verdiepingen. Een soort Transferium dat gebruik maakt van dezelfde ingang als de parkeergarage onder het stadion; die ingang is mooi onopvallend weggewerkt. Misschien kunnen zelfs de busperrons wel ondergronds, net als onder het Museumplein. Als je zo’n garage diep genoeg aanlegt en de grond erboven verbetert, kunnen op het plein een paar mooie bomen komen te staan. Dan denk ik aan rode beuken, iepen, eiken, soorten die zomaar ouder dan honderd jaar worden en een flinke omvang bereiken.” Hij schetst een mooie zicht-as over het plein, van de Marathontoren naar de Van Tuyl Van Serooskerkenweg, krabbelt in het midden wat sportveldjes, en legt zijn pen neer. “Maar het moet in de eerste plaats functioneel zijn. Het plein nodigt niet uit, dat verandert heus niet als er een plantsoentje ligt. Niemand gaat eens even lekker op het Stadionplein zitten omdat het uitzicht op de Citroën-garages zo prachtig is.”

Inkijkje
De meeste kansen ziet Melchers langs de zogeheten Sport-as naar Amstelveen. “Eigenlijk is dat tramlijntje een perfecte corridor, omdat mensen zo’n talud niet betreden. ’s Nachts rijden er geen trams en hebben dieren er vrij spel. Je zou tram 16 en tram 24 via dat tracé tot aan het Wagnerstadion moeten laten rijden en de tramlijn links en rechts begeleiden met waterpartijen en groen dat dekking biedt, onder de kruisende wegen kunnen dan faunapassages komen. Zou je de corridor nog verder doortrekken langs de Hoornsloot, dan leg je zelfs een verbinding met de ringslangpopulatie in de Amstelveense Poel. Die ringslangen kunnen dan hun leefgebied tot achter het stadion uitbreiden. Zodra je mogelijkheden voor de ringslang creëert, komen oevergebonden diersoorten vanzelf mee. En in hun kielzog volgen bijvoorbeeld weer bosmuizen, wezels, bunzingen en roofvogels. Maar zo’n verbinding is zo sterk als zijn zwakste schakel. Ter hoogte van het ING-gebouw hebben ze de Spoorsloot langs de museumtramlijn gedempt, die moet dan weer een open verbinding met de Schinkel krijgen. Op de Schinkeleilanden zou je bloemrijke hooilanden kunnen laten ontstaan; schrale zandgrond waarop planten als de slipbladige ooievaarsbek groeien. Dat is een ideale biotoop voor een prachtige populatie libellen en vlinders. Niet-stadse vlindersoorten als het bruin blauwtje, het icarusblauwtje of de kleine vuurvlinder haal je dan zomaar de stad binnen. Laat je dat hooggelegen zandlichaam naar het water aflopen in een kwel, dan is het niet uitgesloten dat de rietorchis daar gaat groeien. Pal achter het Olympisch Stadion.”
“En wat ik een geweldig idee vind, is een terras met uitzicht op het onderwaterleven. Dat zou bij café Vak Zuid kunnen komen. Een terras dat diep ligt, onder het waterniveau, en waar de gasten door een glazen wand de gracht in kijken. Als je er een paar sterke lampen op zet, heb je best goed zicht. Dan krijg je karpers, snoeken en voorns te zien. Leg er een fietswrak neer waarop zich wat driehoeksmossels hechten en je ziet meerkoeten duiken. Op de bodem leven Chinese wolhandkrabben en Kaspische vlokreeften, het is een inkijkje in een echte Amsterdamse gracht. Als je voerplekken en schuilplaatsen creëert, kun je daar een echte attractie van maken.”