Speelse ontwerpen

De plek van kinderspeelplaatsen in stedelijke architectuur

Honderd jaar geleden besloeg het speelveld van een kind zijn of haar totale stad of dorp. In de jaren vijftig was dat geslonken tot de achtertuin en tegenwoordig is het speelveld beperkt tot een computerscherm. Het resultaat? Van de Nederlandse kinderen is zo’n 17 procent te zwaar, in armere buurten zelfs 30 procent. Volgens onderzoek door TNO komt dat niet, zoals we vaak denken, door de onweerstaanbare aantrekkingskracht van computerspelletjes, maar simpelweg omdat kinderen te weinig mogelijkheden hebben om buiten te spelen.
Door: Jane Szita

Van dit onderzoek wordt melding gemaakt in Ground-Up City; Play as a design tool, een boek van architectuurtheoretica Liane Lefaivre en architect Henk Döll, die een hartstochtelijk pleidooi houden om het spelen naar het niveau te tillen van design en stadscultuur: “De speelplaats heeft een bijzondere functie in de openbare ruimte. Spelen brengt mensen samen.”

Centrale publieke ruimtes
Het uitgangspunt van het boek is dat speelplaatsen bijna nooit worden gezien in termen van architectonisch ontwerp. Ze liggen vaak in niet-populaire delen van de stad, geïsoleerd van de stedelijke structuur en aan hun ontwerp ligt vooral veiligheid ten grondslag. Moderne speelplaatsen zijn vaak wat armoedige, onbetekenende plekken, terwijl Lefaivre en Döll ze graag als centrale publieke ruimtes zouden zien. Er zijn ook maar weinig architecten die zich hebben beziggehouden met de kinderwereld, met uitzondering van Aldo van Eyck. In naoorlogs Amsterdam bouwde hij een opmerkelijke serie van meer dan 700 speelplaatsen, waarvan 90 min of meer in hun oorspronkelijke staat zijn gebleven. Zijn werk vormde de inspiratie voor dit boek, aldus Lefaivre: “Ik had het idee dat de sleutel tot het verbeteren van de communicatie in stadswijken lag in het revitaliseren van dit historische voorbeeld.”
Lefaivre is professor aan de Universiteit van Toegepaste Kunsten in Wenen en onderzoeker aan de Technische Universiteit Delft. Zoals je mag verwachten van een theoreticus en van een praktiserend architect, is Ground-Up City een mengeling van geschiedenis en theorie, met praktische toepassingen. Lefaivre behandelt een keur aan projecten in binnenstad en buitenwijk die speelsheid uitstralen, zoals het beroemde Unité d’Habitation-flatgebouw van Le Corbusier in Marseille, met op het dak een complete speeltuin.

50 speelplaatsen per jaar
In zijn boek The embarrassment of riches noemt de Britse historicus Simon Schama de afbeelding van ‘kinderspelen’ in stedelijke omgevingen uniek voor de Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw. De alomtegenwoordigheid van kinderen in andere Nederlandse kunstvormen onderstreept dit. Deze “eigenaardige preoccupatie met kinderen en hun spel”, zoals Schama het betitelt, diende een heel praktisch nut: het inprenten van republikeinse waarden als vrijheid, gelijkheid en gemeenschapszin bij kinderen, al vanaf jonge leeftijd. Zo blijkt dat de speelplaatsen van Aldo van Eyck in een Nederlandse traditie staan die al zo’n 500 jaar oud is. In Ground-up City staat een illustratie van een zestiende-eeuws schilderij van Hendrick Avercamp, waarop een houten speelwerktuig is afgebeeld dat je ook op moderne speelplaatsen aantreft, inclusief die van Van Eyck. De Nederlanders hebben de speelplaats uitgevonden, zo lijkt het.
Toch waren er in 1947 in Amsterdam slechts 30 speelplaatsen. In 1968 waren er 1000. Wat voor opmerkelijks is er in die tussenliggende 20 jaar gebeurd? Hoe kan het dat er per jaar zo’n 50 speelplaatsen bijkwamen? Volgens Lefaivre is een van de belangrijkste oorzaken de naoorlogse golf van ‘child empowerment’, die onder andere resulteerde in de VN-declaratie van de Rechten van het Kind en het opvoedkundige boek van Dr. Spock. In de stedelijke theorie kwam ‘de gemeenschap’ centaal te staan, evenals voor een nieuwe generatie architecten als Aldo van Eyck. De Amsterdamse speelplaatsen tonen het nieuwe belang van kinderen en gemeenschap in de naoorlogse gedachtegang. Wat ze echter uniek maakt, stelt Lefaivre, is dat ze “deel uitmaakten van een geïntegreerde stedelijke planologie. Ze vormden een polycentrisch net van openbare ruimten, waaromheen een gemeenschap ontstond, leidend tot microstedelijke dorpen. Ze verstoorden de stedelijke textuur om hen heen niet, integendeel: ze kregen de overgebleven plekken toegewezen, de lege tussenruimtes.”

PIP-principe
De speelplaatsen drongen zo binnen in het weefsel van de stad, en, misschien nog wel essentiëler, ze konden niet meer voldoen aan de vraag. De stadsarchieven bevatten meer dan 190 brieven van Amsterdamse inwoners die om een speeltuin verzoeken. Officiële documenten laten zien dat ambtenaren even toegewijd waren aan de zaak als de burger. Met name architect en stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren en zijn opvolgster Jakoba Mulder speelden als hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de dienst der Publieke Werken in Amsterdam hierin sleutelrollen. Lefaivre: “Een vorm van steun die ongekend was.” Uit deze unieke omstandigheden in naoorlogs Amsterdam leidt Lefaivre het PIP-principe af: Participatie, Interstitieel en Polycentraal. Speelplaatsen zouden participerend moeten zijn: “niet van bovenaf opgelegd door een stadsbestuur, maar deel van een door mensen gestuurd participatieproces.” Ze zouden tevens moeten opgaan in de ruimte om hen heen, dus niet geplaatst op een stuk grond dat daar speciaal voor is bestemd, maar in openingen, in tussengelegen ruimtes in de stad. Tot slot zouden ze polycentrisch moeten zijn; geen geïsoleerde individuele eenheden, maar “deel van een uitgebreid polycentrisch netwerk van speelplaatsen.”
Vanzelfsprekend proberen Lefaivre en Döll dit PIP-principe op basis van de Amsterdamse speelplaatsen, waarschijnlijk het meest succesvolle stedelijk-planologische instrument van de twintigste eeuw, toe te passen in de praktijk. Ze kiezen daarvoor Rotterdam, een stad die in zijn naoorlogse planologie niet zo fortuinlijk was als Amsterdam. In Rotterdam legden stadsontwikkelaars de prioriteit in het gebruik van de openbare ruimte bij de auto: niet toevallig is Rotterdam nu de minst kindvriendelijke stad van Nederland. Het is tevens een van de meest multiculturele steden, met 40% immigranten.

Tussenruimte
De twee Rotterdamse locaties die voor de case-study werden geselecteerd hebben verschillende kenmerken: Oude Westen is een negentiende-eeuwse binnenstadswijk, flink bebouwd en druk, terwijl Hoogvliet een uitgestrekte buitenwijk is, daterend van halverwege de twintigste eeuw, met veel groene ruimte eromheen. Beide wijken zijn relatief arm en worden tot op zekere hoogte gerenoveerd. Met de PIP-methode in het achterhoofd vroegen de schrijvers lokale instellingen om hulp bij het organiseren van participerende sessies met kinderen, bestaande uit gesprekken en buurttochten met camera’s. “Om erachter te komen hoe hun speelcultuur eruit ziet.”
De stadskinderen uit Oude Westen blijken voorspelbaar ‘streetwise’ te zijn en “extreem creatief in het vinden van dingen om mee te spelen, in elk portiek en op iedere straathoek.” Vanwege het lagere aantal kinderen in Hoogvliet is spelen daar een minder spontane activiteit; vanwege de ruimtelijkheid van de wijk moeten kinderen afspraken met elkaar maken of hun ouders vragen om ze naar speelplekken te brengen.
Door het PIP-principe toe te passen creëerde Döll een driedimensionaal netwerk voor Oude Westen, bestaande uit een eerste ‘tussenruimte-laag’ van speelplekken die op een natuurlijke manier ontstaan op kleine, lege plaatsen. Daarnaast is er een ‘themalaag’: een netwerk van verschillende plekken waarbij de thema’s geselecteerd zijn op basis van de interesses van kinderen: van ‘wasstraat’ tot ‘bling’. Overkoepelend is er een laag die al deze plekken met elkaar verbindt, via kleine, verkeersvrije wandelpaadjes.

Sociale structuur
In Hoogvliet wordt PIP anders ingezet. De thema’s, dit keer ontleend aan karakteristieke elementen in het landschap, vormen de bodemlaag, de ‘tussenruimteplekken’ vormen de middenlaag en beide worden weer met elkaar verbonden door de toplaag. Hier is het doel niet om het “ruimtelijke gevoel opnieuw leven in te blazen”, zoals in Oude Westen, maar om de “monotone ruimte terug te brengen tot een schaal die harmoniseert met de sociale structuur.” Dit is uiteraard een probleem dat Aldo van Eyck nooit heeft gekend; hoe het PIP-principe zich laat vertalen in uitgestrekte, op autovervoer gebaseerde buitenwijken staat nog te bezien. Theoretisch ziet het er veelbelovend uit, maar of deze studies ook in praktijk zullen worden gebracht is onzeker. Lefaivre: “We hebben ondervonden dat de huidige Nederlandse politiek niet zo dynamisch en snel is als vijftig jaar geleden.”
Het lijkt erop dat de eerste realisatie van een PIP-ontwerp zal plaatsvinden in de Villa Tranquilla-buurt in Buenos Aires. Maar gelukkig weet een stad zelfs zonder goed ontworpen speelplaatsen toch geschikte publieke plekken te vinden waar gespeeld kan worden, van geveltuinen en geïmproviseerde verhogingen tot trottoirs met krijttekeningen en andere welwillende gebaren. “Want speelruimte”, zo stellen Döll en Lefaivre, “is iets voor alle leeftijden, in elke plaats.”