<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<rss version="2.0">
<channel>
<title>OOlympia</title>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/</link>
<description></description>
<copyright>Copyright 2008</copyright>
<lastBuildDate>Tue, 24 Jun 2008 11:22:20 +0000</lastBuildDate>
<generator>http://www.movabletype.org/?v=3.15</generator>
<docs>http://blogs.law.harvard.edu/tech/rss</docs> 

<item>
<title>Beste Lezer</title>
<description><![CDATA[<br>
Het Stadionplein is meer dan een grote parkeerplaats met daarop een snackbar. Het is een centraal punt in de stad, een ontmoetingsplek voor buurtbewoners, forensen en bezoekers, op de fiets, in de auto, de tram of te voet. Om dit plein de uitstraling te geven die het verdient, gaat het over niet al te lange tijd op de schop. De plannen daarvoor zijn nog in ontwikkeling, maar we willen nu vast een voorschot nemen op wat op deze bijzondere plek gerealiseerd kan worden. Niet in bakstenen, maar in sfeer, betekenis, saamhorigheid, karakter. Daarvoor zijn we bezig met de productie van een magazine, dat een inspiratiebron wil zijn voor iedereen die zich wil voorstellen wat er straks op deze plek moet komen.<br><br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/stadionplein-test_small.jpg"><img alt="stadionplein-test_small.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/stadionplein-test_small-thumb.jpg" width="450" /></a>
<br>
<i style="font-size:10px">Stadionplein, 2008, Marc Faasse</i><br>
<br>
Omdat een stedenbouwkundig project als de ontwikkeling en herinrichting van een open ruimte als het Stadionplein niet geschiedt op basis van de visie van een enkeling, zo willen wij ook niet alleen onze mening in dit magazine kwijt. Daarom vragen wij u, lezer, een wezenlijke bijdrage te leveren aan onze teksten. Hoe? Door er commentaar op te leveren, opdat het een tekst van ons allen wordt. De commentaren zullen ook worden afgedrukt in het magazine, om te tonen dat een uitspraak of mening niet op zichzelf staat, maar onmiddellijk een relatie aangaat met de lezer, met de buitenwereld. En ons gaat het erom die buitenwereld ook een plaats te geven in het magazine. Opdat het magazine geen verzameling van vaststaande feiten en geautoriseerde opinies wordt, maar een discussieforum, een open huis voor verschillende ideeën, kortom: een inspiratiebron.<br><br>

<b>Hartelijk dank voor uw bijdrage!</b><br><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="bestelezer"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>


]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/beste_lezer.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/beste_lezer.html</guid>
<category></category>
<pubDate>Tue, 24 Jun 2008 11:22:20 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Charles Landry: “De stad is een collectieve onderneming”</title>
<description><![CDATA[<b>Het denken over creativiteit, cultuur en de stad leidt vaak tot modieuze tunnelvisies, waarbij creatieven vooral hun economische licht moeten laten schijnen. Dat is jammer, aldus Charles Landry, want cultuur is meer dan economische waarde of de opkomst van de creatieve industrie. Landry pleit ervoor dat een stad de creativiteit van velen inzet om “de meest fantasierijke stad voor de wereld te worden, niet van de wereld.”</b>
<i>Tekst: Roy van Dalm</i>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="charleseen"></div>
<br>

Ere wie ere toekomt: het was de Engelsman Charles Landry die de term creatieve stad introduceerde en niet, zoals velen denken, Richard Florida. Landry’s befaamde boek The Creative City: a toolkit for urban innovators verscheen in 2000, twee jaar voordat Richard Florida’s Rise of the Creative Class uitkwam. Maar waar Florida de nadruk legt op de economische waarde van menselijke creativiteit, daar gaat Landry uit van de noodzaak van een nieuw, cultureel denken en de inzet van de creativiteit van velen om de grote vraagstukken van de stad op te lossen. Geen economisch verhaal, derhalve, maar een oproep tot een bredere culturele visie. <br>
Wat Florida en Landry echter gemeen hebben, is hun visie op de stad als een complexe biotoop die eerder appelleert aan biologische principes dan aan economische wetmatigheden. En in een samenleving die draait om kennis en creativiteit is dat ook logisch, omdat hij draait om mensen. Simpelweg aan beleidsknoppen draaien om een stad bij te sturen wordt dan steeds moeilijker. Causale verbanden zijn lastig te leggen in een complex, levend systeem. Wie weet of er nog wel B gebeurt als je A doet? Landry heeft de afgelopen twee jaar twee nieuwe boeken gepubliceerd: The Art of City Making en nog geen jaar later The Intercultural City, dat hij samen met Phil Wood schreef. In beide boeken probeert hij de complexiteit van het leven in de stad weer te geven.<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="charles2"></div>
<br>

<b>De stad als kunstwerk</b><br>
Charles Landry neemt een slok van zijn koffie in zijn studeerkamer en overpeinst de vergelijking tussen de stad en complexe systemen. “Hmm, daar zit wel wat in. Ik praat over stedelijke ontwikkeling als een kunst en geen kunde, juist vanwege die complexiteit van een stad. Citymaking – naar ik begrepen heb, bestaat daar geen goed Nederlands woord voor – is balanceren tussen orde en chaos. Een stad heeft geen beginpunt en een eindpunt. Citymaking is derhalve een proces, geen eindresultaat. Van een stad bestaat geen eindproduct. De opgave voor een stad is de onderlinge verbindingen te versterken en daarmee het geheel sterker te maken. De cultuur van een stad heeft zoveel aspecten, dat beleidsmakers die nog denken in puur causale verbanden tegen problemen aanlopen. Innoveren in een dergelijke omgeving vraagt om een andere benadering.”<br>
Landry wil dat innovatie in de stad niet langer wordt gezien als een louter economische opgave. “Creativiteit is de afgelopen jaren veel teveel beperkt tot economische creativiteit. In dat geval wordt het alleen maar een concurrentiestrijd tussen steden met de creatieve industrie als inzet. Kijk, die creatieve industrie weet zichzelf natuurlijk goed te projecteren en verkopen, maar het is een modeverschijnsel geworden.” 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="charles3"></div>
<br>

<b>Voor de wereld</b><br>
Landry stelt dat steden niet langer moeten proberen de meest creatieve stad van de wereld te zijn, maar de meest fantasierijke stad voor de wereld. Charles Landry: “Het gaat erom dat je de verschillende vormen van creativiteit in een stad op één lijn krijgt, gericht op een bepaald doel. Een hoger doel. Noem het een vorm van duurzame, maatschappelijk verantwoorde stedenmakerij. In de kern van de zaak gaat innovatie en creativiteit in steden om ethische vragen, over wie je wilt zijn voor de wereld of voor je eigen gemeenschap. En ik merk dat de tijd daar rijp voor is. Zo heb ik drie maanden een project gedaan in het Australische Perth en ik merk dat iedereen die daar onder de veertig jaar is een diep verlangen heeft om deel uit te maken van een groter geheel, verbonden te zijn met de stad. Het wordt tijd dat we de stad gaan zien als een collectieve onderneming. Mensen willen zich verbonden voelen met een plek; zet dan ook hun energie in voor de stad.”<br>
In The Art of Citymaking spreekt Landry over het belang van ‘cultural literacy’, culturele geletterdheid. In The Intercultural City, een boek dat gaat over het samenleven van verschillende culturen in een stad, komt hij daar in detail op terug. Landry: “Het gaat om cultureel denken en dan om cultuur in de brede zin des woords, dus de manier waarop wij hier de dingen doen. Elke stad heeft daarin zijn eigen persoonlijkheid en het is van belang die te behouden. Maar die persoonlijkheid is complex, want een stad bestaat uit veel culturen. Culturele geletterdheid betekent dat je je kunt verplaatsen in die andere culturen.”<br>
Daarnaast vindt Landry het van belang dat mensen een gevoel ontwikkelen voor wat hun stad anders maakt. “Het gaat om het gevoel van gebouwen, van de omgeving. Steden in de wereld hebben ieder een andere look and feel. Wanneer je daar gevoelig voor bent, kun je dat versterken. Je moet ervoor waken dat jouw stad in de globalisering teveel op een andere stad gaat lijken. Overal ter wereld is een spanning tussen dat wat hetzelfde is en dat wat anders is in steden. Iedere stad streeft naar een bepaald cultureel voorzieningenniveau, maar bij een bepaald niveau van aanbod gaan steden teveel op elkaar lijken. Onderscheidend is dan alleen nog maar het verschil en dat is die eigen persoonlijkheid. Dat is wat Amsterdam ook Amsterdam maakt.”
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="charles4"></div><br>

<b>Diversiteitsdividend</b><br>
Diversiteit levert voordelen op. Teams die diverser zijn samengesteld, leveren betere innovatieprestaties dan homogene groepen. Dit diversiteitsvoordeel geldt ook voor steden, want een gesloten systeem dat weinig diversiteit van buiten toestaat zal op enig moment zijn vermogen verliezen om te vernieuwen. Zo ook een gesloten stad. Echter, culturele diversiteit in een stad is voor Landry een vertrekpunt en niet het einddoel. “Cultuur is een tweezijdig zwaard. Als je er niks aan doet, levert het net zo goed spanningen op. Je mag ook toegeven dat het best lastig is om totaal andere mensen om je heen te hebben. Samenleven gaat niet vanzelf.”<br>
Culturele diversiteit is als een aanrecht met mooie ingrediënten, maar er moet wel mee gekookt worden. Landry: “Als je als stad dividend wilt halen uit je culturele diversiteit, dan zul je er actief iets mee moeten doen. Interculturaliteit vindt daar plaats waar we de ander tegenkomen in een open ruimte. Daar draait het allemaal om. Je bereikt het dus niet in het privé-domein, maar in de openbare ruimte.” Landry noemt in The Intercultural City diverse voorbeelden van Nederlandse projecten die interculturaliteit bevorderen. Enthousiast is hij ook over het langetermijn cultuurbeleid van Amsterdam. “Dat is echt anders, in heel andere termen gedefinieerd dan wat je vaak ziet als cultuurbeleid. Het is open, het heet welkom en richt zich op wat het betekent om Amsterdammer te zijn. Dan kom je bij de stad als gezamenlijke inspanning, als collectieve onderneming. En dat is de kern.”
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="charles5"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script>



]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/charles_landry.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/charles_landry.html</guid>
<category>Charles Landry</category>
<pubDate>Tue, 24 Jun 2008 10:11:19 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Eat Local Grow Febo</title>
<description><![CDATA[Bijdrage van Simon Wald-Lasowski <br><br><br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Frikandel.jpg"><img alt="Frikandel.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Frikandel-thumb.jpg" width="320" height="478" /></a><br><br><br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Kaassoufle.jpg"><img alt="Kaassoufle.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Kaassoufle-thumb.jpg" width="320" height="478" /></a><br><br><br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/KroketA2.jpg"><img alt="KroketA2.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/KroketA2-thumb.jpg" width="320" height="478" /></a><br><br><br>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Patat.jpg"><img alt="Patat.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Patat-thumb.jpg" width="320" height="478" /></a>

<br><br><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="bestelezer1"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>
<br><br>
Simon Wald-Lasowski (Parijs, 1980) studeerde in 2004 aan de Gerrit Rietveld Acadmie af als grafisch ontwerper. Sindsdien werkt hij als freelance ontwerper/fotograaf/kunstenaar voor opdrachtgevers als W139, VPRO, Amsterdam Weekly, Carp en Blend. Zie ook www.iammyownfan.com <br><br>

Simon Wald-Lasowski over ‘Eat local, grow Febo’: <br>
“Voorspellingen voor de toekomst worden doorgaans sterk overdreven, ik denk dat het subtieler gaat. Consumenten zullen moe worden van de macht van multinationals en het massaal geproduceerde voedsel: lokale voedselproductie zal een grote vlucht nemen. Straks zijn er Febo-zaadjes verkrijgbaar en kan iedereen zijn eigen junkfood verbouwen. Zin in een patatje? Zelf plukken in het park!”
<br>]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/eat_local_grow.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/eat_local_grow.html</guid>
<category>Future Febo</category>
<pubDate>Mon, 23 Jun 2008 15:50:39 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Cheese Mountain</title>
<description><![CDATA[Building an Utopian Stadionplein<br><br><br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/collage_small.jpg"><img alt="collage_small.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/collage_small-thumb.jpg" width="500" /></a><br><br>
Building the Utopian Stadionplein is een workshop met kinderen van de
British School georganiseerd door kunstenares Uta Eisenreich. De kinderen
maakten en bouwden samen hun ontwerp in de vorm van een 'cheese mountain'
met materialen gekregen van de woningcorporatie Eigen Haard. Uta Eisenreich
begeleidde de kinderen en maakte een serie foto's voor O.<br><br>

<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="uta1"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>

]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/utopian_stadion.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/utopian_stadion.html</guid>
<category>Utopian Stadionplein</category>
<pubDate>Mon, 23 Jun 2008 11:32:11 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Plan Zuid: van kronkelstraatjes tot Parijse allure </title>
<description><![CDATA[<b>“In Zuid groeit een stad, die zoo mooi kan worden als misschien nergens bestaat.” Aldus de voorzitter van de Commissie Zuid in 1927, toen de uitbreiding van Amsterdam-Zuid in volle gang was. En hij kreeg gelijk. Plan Zuid staat nu bekend als een van de meest geslaagde stadsuitbreidingen aan het begin van de 20ste eeuw.</b>
<i>Tekst: Ingrid Koorn</i><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="berlage1"></div>
<br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Berlage (3824 x 2581).jpg"><img alt="Berlage (3824 x 2581).jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Berlage (3824 x 2581)-thumb.jpg" width="320" height="216" /></a>
<br><br>
Alle lof daarvoor gaat naar Hendrik Petrus Berlage, de architect die eind negentiende eeuw van de Amsterdamse gemeenteraad de opdracht kreeg om Plan Zuid te ontwerpen. Reden hiervoor was de in 1901 geïmplementeerde Woningwet. Eind negentiende eeuw trokken steeds meer mensen van het platteland naar de stad, wat ertoe leidde dat veel te veel mensen op te weinig grond moesten samenleven in vaak erbarmelijke omstandigheden. De Woningwet verordende dat elke stad met meer dan 10.000 inwoners, die de afgelopen vijf jaar een groei van minimaal 20% doormaakte, een zogeheten uitbreidingsplan moest opstellen. En zo toog ook Amsterdam aan het werk. <br>
Door een wijziging van de gemeentegrens in 1896 ontstond er tussen de rivieren Amstel en Schinkel ruimte voor nieuwe bebouwing. Dat leidde veertig jaar later tot de statige, monumentale wijken met brede lanen en sierlijk gebouwde huizen die we nu kennen als Amsterdam Nieuw-Zuid, bestaande uit de Stadionbuurt en de Apollobuurt in het stadsdeel Oud-Zuid en de Rivierenbuurt in het stadsdeel Zuideramstel. Ook een groot deel van de Nieuwe Pijp in het stadsdeel Oud-Zuid behoort tot het Plan Zuid. <div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="berlage2"></div>
<br>
<b>Kronkelende straatjes</b><br>
Wat weinigen weten is dat Berlage oorspronkelijk heel andere plannen had met Nieuw-Zuid. Zijn eerste ontwerp kwam in 1900 tot stand en was min of meer gebaseerd op het uitbreidingsplan dat eerder door de Dienst Publieke Werken was gemaakt. Dit ontwerp werd door de gemeente afgewezen, omdat het te veel leek op de Pijp, de meest bekritiseerde nieuwbouwwijk in die periode. Die buurt was erg slecht gebouwd, omdat de bouwers hun geld tegen hoge rente moesten lenen. Ze bouwden dus snel en bezuinigden waar ze konden op de kwaliteit; sommige huizen stortten al tijdens de bouw in. Die ontwikkeling wilden alle betrokkenen graag vermijden. Berlage nam het uitbreidingsplan niettemin op hoofdlijnen over, maar verving de monotone bebouwingswijze door een veel gevarieerder stratenpatroon. Kronkelende straatjes, open bebouwing, veel pleintjes en groen: dit ontwerp leek in niets op het Plan Zuid zoals we dat nu kennen. <br>
De gemeenteraad stemde in eerste instantie in met Berlages voorstel, maar al snel kwam er kritiek. Met name de architect J.H.W. Leliman wees op een aantal dubieuze punten. Vooral de verdeling van de woningbouw vond hij onevenwichtig – met veel dure villa’s op dure grond aan de ene kant en drukke, krampachtig aandoende sociale woningbouw aan de andere kant. Bovendien vond hij het pittoreske, middeleeuwse karakter van het straatbeeld niet meer passen bij de tijdsgeest, die op dat moment in het teken stond van stedenbouwkundige vernieuwing: massale, monumentale woningbouw. 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="berlage3"></div>
<br>
<b>Monumentaal</b><br>
Berlage werd uiteindelijk teruggestuurd naar de tekentafel. Hij trok zich de kritiek behoorlijk aan, zeker omdat hij zelf een groot bewonderaar was van de Haussmann-stijl in Parijs – met de grandeur van chique boulevards en monumentale gebouwen. Hoewel Berlage in eerste instantie nog ter verweer aanvoerde dat een dergelijke monumentale oplossing zijn voorkeur ook had, maar dat die in Amsterdam om praktische redenen uitgesloten was, in zijn tweede definitieve ontwerp uit 1915 toont Berlage dat hij van gedachten veranderd is. In de tussenliggende jaren heeft zijn stedenbouwkundige visie definitief vorm gekregen en nu baseert hij zich op de stedenbouw ten tijde van de barok – de voorgeschiedenis van het negentiende-eeuwse Parijs: grote openbare ruimten in een “fraai architectonisch kader dat wordt gevormd door zorgvuldig ontworpen straat- en pleingevels”. De architectonische eenheid van straat, plein en stadsgedeelte is voor hem onverbrekelijk verbonden met bebouwing op uitgebreidere schaal.
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="berlage4"></div>
<br>
<b>Expressieve vormen</b><br>
Zijn nieuwe uitbreidingsplan tapt dan ook uit een heel ander vaatje. De opbouw bestaat nu uit smalle kaarsrechte straten met langwerpige bouwblokken, doorsneden door enkele brede hoofdassen. In 1917 verleende de Amsterdamse gemeenteraad goedkeuring aan het plan en kon met bouwen worden begonnen. Een saillant detail hierbij is dat het stedenbouwkundig ontwerp van Berlage werd ingevuld door architecten van de Amsterdamse School, een stroming die in feite ontstond als reactie op het werk van Berlage. Tegenover zijn rationele benadering van stedenbouw stelde de Amsterdamse School expressieve en fantasierijke vormen, verwant aan het Expressionisme. 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="berlage5"></div>
<br>
<b>Harmonie</b><br>
Deze verschillen in opvatting stonden samenwerking evenwel niet in de weg; Berlage had grote waardering voor het vermogen van Michiel de Klerk – voorman van de Amsterdamse School – en zijn collega’s om woonblokken te ontwerpen die massaal waren, maar door hun sierlijke detaillering niet zo oogden. Daarmee kwam zijn visie op Amsterdam-Zuid op het niveau van zijn grote voorbeeld: Parijs, “de mooiste moderne stad van het moment.” Later werden ook architecten van de Nieuwe Zakelijkheid betrokken bij Plan Zuid; het is de verdienste van Berlages ontwerp dat de verschillende stromingen elkaar niet in de weg staan, maar letterlijk de ruimte krijgen. In 1927 wees Berlage nog eens op de betekenis van Plan Zuid en de Amsterdamse School voor de geschiedenis van de stedenbouw. Nergens in de wereld, stelde hij toen, is de harmonie tussen architectuur, stedenbouwkundig plan en overheidsbeleid zo perfect georganiseerd als in Amsterdam.<br>
<i>Bron: Berlage en Amsterdam Zuid. Onder redactie van Karin Gaillard en Betsy Dokter. Stichting Berlage Jaar 1992. Gemeentearchief Amsterdam. Uitgeverij 010 Rotterdam, Amsterdam/Rotterdam 1992.</i>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="berlage6"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script>

]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/plan_zuid_van_k.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/plan_zuid_van_k.html</guid>
<category>Plan Zuid</category>
<pubDate>Mon, 23 Jun 2008 10:25:07 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Het complete DNA van De Baak</title>
<description><![CDATA[<b><i>Het managementcentrum van VNO-NCW <br>
gaat naar het Olympisch Stadiongebied</i><br><br>
Niet dat de training in bos of aan zee voor Harry Starren heeft afgedaan, maar hij wil gewoon dat De Baak ook in de stad zit. Daarom heeft het managementcentrum van VNO-NCW een derde vestiging geopend in Amsterdam. Op de grens van de oude en de nieuwe stad, dichtbij cultuur, horeca en natuur volgen managers en professionals trainingen in een zeer dynamische leeromgeving: de stad Amsterdam.</b> Door: Marc Vlemmings<br><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="baak1"></div>
<br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_situatie.jpg"><img alt="Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_situatie.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_situatie-thumb.jpg" width="320" height="156" /></a><br><i style="font-size:10px">Luchtfoto</i><br>
<br>

De Baak zit al in Noordwijk en Driebergen. In Noordwijk moeten de vergezichten over de zee de diepere inzichten opleveren, in Driebergen, waar De Baak het landgoed De Horst bezit, moet de rust van de bossen dit doen. Met een derde vestiging in Amsterdam is volgens Harry Starren het DNA van De Baak compleet. Starren, ruim tien jaar directeur van De Baak, presenteert ook televisieprogramma's en is auteur van diverse boeken over leiderschap en management.<br>
"We spreken nu over De Baak DNA: Driebergen, Noordwijk, Amsterdam. We zijn ooit in Noordwijk begonnen met traditionele opleidingen aan zee", vertelt Starren. "Toen dat zich uitbreidde, zijn we in Driebergen begonnen, waar de Baak met andere organisaties een campus heeft gemaakt. Al deze organisaties zijn bezig met de ontwikkeling van mensen of met innovatie. Zo hebben we een context gecreëerd voor onze activiteiten." Iets dergelijks heeft Starren ook voor ogen met de nieuwe Amsterdamse vestiging in het voormalige Burgerweeshuis, ten zuiden van het Olympisch Stadion. "Er zitten daar veel kenniswerkers, er is horeca, er wonen mensen en er zit veel creativiteit. Het is een kleine creative city."
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="baak2"></div>
<br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_01.jpg"><img alt="Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_01.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_01-thumb.jpg" width="320" height="245" /></a><br><i style="font-size:10px">Luchtfoto Burgerweeshuis</i><br>
<br>

<b>Breukvlak</b><br>
Voor De Baak zijn er drie redenen om zich in het Olympisch Stadion gebied te vestigen. "We willen dichtbij de Amsterdamse Zuidas zitten, omdat veel van onze klanten zich daar bevinden. Als tweede reden noem ik de stedelijke ontwikkeling. De grote steden in Europa zijn hechter verbonden met elkaar dan met de geografische gebieden waarvan zij deel uitmaken. Er is een netwerk aan het ontstaan van mensen die werken in Londen en Amsterdam. Het Olympisch Stadiongebied ligt op het breukvlak van de oude en de nieuwe stad. De Baak ziet deze stedelijke ontwikkeling als een interessante toevoeging voor de klanten. Onze cursisten konden al naar de zee en naar het bos, nu kunnen ze ook naar de stad. Daar gebeuren interessante dingen op multicultureel gebied."<br>
De vele expats in Amsterdam zijn volgens Starren potentiële cursisten voor De Baak. "Zij brengen het buitenland naar Nederland. Amsterdam heeft voor hen iets magisch en is daarom een goede merknaam voor ons. Wij willen primair de partner zijn van het Nederlandse bedrijfsleven en van het buitenlandse bedrijfsleven dat in Nederland is gevestigd. Wat dat betreft is Amsterdam de beste uitvalsbasis. Onze klanten internationaliseren en wij moeten met hen meegaan in deze ontwikkeling."<br>
De Baak Amsterdam zit in het voormalige Burgerweeshuis, een gebouw uit de jaren zestig van architect Aldo van Eyck. Het lage gebouw, dat gerekend wordt tot een van de belangrijkste naoorlogse gebouwen in Nederland, heeft vele units en diverse patio's, waardoor het goed te gebruiken is als kantoor. Zo zit ook New Venture, de jaarlijkse wedstrijd voor aankomende ondernemers, met zijn kantoor in het Burgerweeshuis. Starren: "We hebben goed gekeken wie onze buren zouden worden. We hopen zelf ook te gaan bijdragen aan de buurt, want wij willen voor anderen een reden zijn om zich in onze nabijheid te vestigen. Zo kan er een klimaat ontstaan van partijen die iets aan elkaar hebben. Het is voor ons van belang soortgelijke bedrijven als het onze in de buurt te hebben, maar dan moeten ze verschillend genoeg zijn om zaken te kunnen doen."
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="baak3"></div>
<br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_postzegel.jpg"><img alt="Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_postzegel.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_postzegel-thumb.jpg" width="225" height="163" /></a><br><i style="font-size:10px">1969: Zomerzegel, ontwerp: R.J. Draijer.</i><br><br>
<b>Culturele context</b><br>
Met de Gerrit Rietveld Academie en het Olympisch Stadion in de directe omgeving is de connectie met de kunst- en sportwereld snel gelegd. De horeca in de omgeving is volgens Starren van groot belang als het gaat om het maken van die verbindingen. Hij ziet ook mogelijkheden in de richting van de wetenschap. "Zowel de Open Universiteit als de Vrije Universiteit, waarmee we al banden hebben, zitten in de buurt. Als je zin hebt, kun je naar het Amsterdamse Bos of het Vondelpark lopen, er is genoeg groen in de buurt. Voor ons is ook belangrijk dat er een metrostation in de nabijheid ligt." Hij heeft al plannen met de Gerrit Rietveld Academie. "De inrichting van ons kantoor zou ik heel graag met de Rietveld willen doen. De academie is zelf trouwens al bezig om de banden met de samenleving te versterken."<br>
De Baak biedt in Amsterdam dezelfde trainingen aan als op de twee andere locaties. Het verschil is dat de stad gebruikt wordt als leeromgeving. "We zien de stad als een learning facility; ze biedt een culturele context voor onze cursisten. De Baak heeft weinig eigen lokalen in de Amsterdamse vestiging en maakt dus vaak gebruik van wat de stad te bieden heeft. We doen al dingen in De Rode Hoed en in De Bazel. We werken samen met FOAM, het fotomuseum, en we gaan iets doen in een zaal van Carré. We zoeken de locaties vooral in de culturele faciliteiten, niet in de traditionele hotels. Maar we willen ook de openbare ruimte gebruiken, zoals het Amsterdamse Bos of het water. Het idee dat je binnen meer kunt leren dan buiten lijkt me een misvatting. Je moet een reden hebben voor elke keer dat je naar binnen gaat, want we willen de mensen niet opsluiten in lokalen. Een schone omgeving is dus van belang. Ik maak me daarom bezorgd over de hoeveelheid fijnstof in de stad."<br>
Naast het culturele is ook het lichamelijke belangrijk, vindt Starren. Sporten, gezond eten, yoga en meditatie maken deel uit van de programma's van De Baak. "Managen en leiding geven zijn ook fysieke activiteiten. Ze vereisen dat je fit en gezond bent. Wij besteden aandacht aan wellness en vitaliteit, want leidinggevenden moeten ook hierin het voorbeeld geven."
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="baak4"></div>
</script><br>
<b>De esthetische organisatie</b><br>
Het verbinden de wereld van het bedrijfsleven met de werelden van cultuur, wetenschap en sport ziet Harry Starren als de manier om een innovatieve cultuur op te bouwen. "Het Nederlandse bedrijfsleven kan zich alleen onderscheiden van China of India door zich snel te vernieuwen en te veranderen. Daarvoor is een innovatieve cultuur nodig. Wij willen bruggen slaan. We organiseren dit jaar bijvoorbeeld het evenement Art and Leadership, waarin we naar ontwikkeling in de kunst kijken. Onze cursisten zijn analytisch goed geschoold; denken en redeneren kunnen ze wel. Soms zit er zelfs te veel in hun hoofden. Zij kunnen veel hebben aan het kijken naar kunst en naar hoe kunst tot stand komt." Professor Mathieu Weggeman, De Baaks chef Innovatie, pleit voor de esthetische organisatie, waarin aandacht is voor schoonheid en die ruimte biedt aan de spelende mens. Weggeman stelt dat de menselijke soort haar hoogste potentieel bereikt als mensen aandachtig en samen schoonheid produceren en een collectieve ambitie realiseren die anderen ontroert. Voor kunstenaars, musici en acteurs is dit een vanzelfsprekende ambitie, maar ze zou door alle leidinggevenden en professionals moeten worden nagestreefd.<br>
Mede daarom zijn vormgeving en omgeving voor De Baak belangrijke aspecten geworden in de trainingen. Het managementcentrum is zestig jaar geleden opgericht als kennisinstituut, maar de aandacht ligt nu op de menskant, vertelt Starren. "Wij gaan ervan uit dat de cursisten een goede scholing achter de rug hebben. We willen nu dat mensen gevoel ontwikkelen voor cultuur en esthetiek, want dat geeft inzicht in wat mensen motiveert en passioneert." Hij vindt dat De Baak dit ook op de eigen organisatie moet betrekken. Onder auspiciën van beeldend kunstenaar Jan van der Veer zal de vestiging van De Baak worden ingericht door kunstenaars. Starren: "We beschouwen onze plek in Amsterdam vooral als een hub, waar je arriveert om vervolgens de stad in te gaan."
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="baak5"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_03.jpg"><img alt="Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_03.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Aldo_van_Eyck_Burgeweeshuis_03-thumb.jpg" width="320" height="240" /></a>


]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/het_complete_dn.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/het_complete_dn.html</guid>
<category>De Baak</category>
<pubDate>Sun, 22 Jun 2008 10:45:16 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Come out and play</title>
<description><![CDATA[Modeshoot van ... and beyond<br><br>
Over de fotoshoot ‘Come out and play’:<br>
“De publieke ruimte gebruiken als speelveld, dat is het uitgangspunt van deze modeshoot. De modellen hebben een achtergrond in acrobatiek en parkour, een discipline waarbij je jezelf in staat stelt vrij te bewegen door je omgeving. Een tracer, iemand die de discipline parkour beoefent, kan in elke situatie snel wegkomen of zo snel mogelijk een bepaald punt bereiken. Met deze tracers hebben wij het gebied rond het Olympisch Stadion doorlopen en hun gebruik van deze specifieke ruimte vastgelegd in beeld. De kleding accentueert deze vrije manier van voortbewegen.” 
De eigentijdse combinaties met streetwear-invloeden zijn afkomstig van Amsterdams modetalent.
<br>

<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="andbeyond2"></div>
<br>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  001-2.jpg"><img alt="andbeyond  001-2.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  001-2-thumb.jpg" width="320" height="426" /></a><br><br><br>


<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  002-2.jpg"><img alt="andbeyond  002-2.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  002-2-thumb.jpg" width="320" height="481" /></a><br><br><br>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  004-2.jpg"><img alt="andbeyond  004-2.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  004-2-thumb.jpg" width="320" height="426" /></a><br><br><br>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  006-2.jpg"><img alt="andbeyond  006-2.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  006-2-thumb.jpg" width="320" height="426" /></a><br><br><br>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  007-2.jpg"><img alt="andbeyond  007-2.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  007-2-thumb.jpg" width="320" height="426" /></a><br><br><br>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  009-2.jpg"><img alt="andbeyond  009-2.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/andbeyond  009-2-thumb.jpg" width="320" height="481" /></a><br><br><br>

<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="andbeyond1"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>


Modeontwerpers Brigitte Hendrix en Jolanda van den Broek, beide in 2005 afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, werken samen onder de naam …and beyond, een label waarbinnen ze autonome, conceptuele en modische uitspraken doen. Hun werk was o.a. te bewonderen tijdens de Fuori Salone Del Mobile Milano 2006, op Fashion NL: the next generation in het Gemeentemuseum in Den Haag 2006, Airworld in Het Stedelijk Museum in Amsterdam 2006 en tijdens het Streetlab festival 2007. …and beyond is onderdeel van Red Light Fashion 2008. Zie ook www.andbeyond.nl<br><br>
Credits: <br>Voor deze modefotoproductie kozen zij ontwerpen van Daryl van Wouw, LEW en
Niki Mens.<br>
Foto's: Duy Quoc Vo

]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/come_out_and_pl.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/come_out_and_pl.html</guid>
<category>Come out and play</category>
<pubDate>Fri, 20 Jun 2008 16:00:27 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Verbeter de buurt</title>
<description><![CDATA[Wat is er mis met jouw straat? Doet een straatlantaarn het niet of rijdt het verkeer te hard? 
Staat een afvalbak op de verkeerde plek? Verbeterdebuurt.nl is een internetplatform waar mensen binnenkort terecht kunnen met klachten, opmerkingen en suggesties voor hun buurt. Verbeterdebuurt.nl is een Nederlandse variant van het Engelse Fixmystreet.com, dat daar sinds de start in maart 2007 een groot succes is. De opzet van Fixmystreet is eenvoudig: geef precies aan op welke plaats op de kaart jouw probleem zich bevindt, omschrijf het nauwkeurig en de site stuurt jouw probleem door naar de verantwoordelijke binnen gemeente of stadsdeel. Natuurlijk houdt de site ook bij hoe snel een probleem wordt verholpen. Verbeterdebuurt.nl brengt de lokale overheid eveneens in nauw contact met burgers, maar niet alleen via klachten. Het is tevens een platform waar mensen op elkaars bijdrage kunnen reageren en verbeteringen voor hun buurt kunnen voorstellen. Verbeterdebuurt.nl is een initiatief van IRL en Creative Crowds, ondersteund door de Digitale Pioniers en met AT5 als mediapartner. Op dit moment wordt nog hard gewerkt aan de technische realisatie van het platform. Kijk op www.verbeterdebuurt.nl voor een update over de laatste ontwikkelingen.
<br><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="verbeter1"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>

]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/verbeter_de_buu.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/verbeter_de_buu.html</guid>
<category>Verbeter de buurt</category>
<pubDate>Fri, 20 Jun 2008 12:33:52 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>De P van Parkeren</title>
<description><![CDATA[<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/pee.jpg"><img alt="pee.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/pee-thumb.jpg" width="72" height="72" /></a>
<br><br>

Het is misschien wel het beroemdste verkeersbord ter wereld: het blauwe bord met de grote witte letter P. Het werd in 1928 speciaal ontworpen om de verkeersstromen tijdens de Olympische Spelen van Amsterdam in goede banen te leiden. Van over de hele wereld zou volk naar Amsterdam stromen, met allemaal eigen talen en symbolen. Men moest dus op een simpele manier duidelijk kunnen maken waar al die mensen hun auto’s kwijt konden. Het ontwerp voor het parkeerbord was even simpel als elegant – en het werd onmiddellijk begrepen door de bezoekers. Achter het Olympisch Stadion had gelegenheidsexploitant Koninklijke Olie een stuk land gereed gemaakt voor 3500 auto’s en 2000 fietsen. Het bleek een forse overschatting van de hoeveelheid auto’s die naar Amsterdam zou komen: na de Spelen werd bekend dat er 450 buitenlandse auto’s in Amsterdam waren geweest. Maar die stonden wel allemaal keurig geparkeerd!<br><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="parkeren_een"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>
]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/de_p_van_parker.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/de_p_van_parker.html</guid>
<category>Parkeren</category>
<pubDate>Fri, 20 Jun 2008 12:30:43 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Gouden medaille voor Wils en Israëls</title>
<description><![CDATA[Het Olympisch Stadion geldt nog steeds als een hoogtepunt in de architectuur van de Amsterdamse School. Het gebouw bracht de architect Jan Wils niet alleen roem en aanzien onder vakgenoten, ook de olympische beweging had oog voor zijn uitzonderlijke creatie. Op 2 augustus 1928 werd Wils voor zijn ontwerp geëerd met een gouden medaille van het olympisch kunsttoernooi, in de categorie architectuur. Het was altijd de droom geweest van Baron Pierre de Coubertin, de bedenker van de moderne Olympische Spelen, om kunst en sport bij elkaar te brengen. Daarom werd op alle Spelen tussen 1912 en 1948 naast sportwedstrijden ook een kunstconcours georganiseerd, waarin medailles te verdienen waren op het gebied van architectuur, literatuur, schilderkunst, muziek en beeldhouwkunst. In de categorie schilderijen won ‘Ruiter in rode rok’ van Isaac Israëls, zoon van Jozef, de gouden medaille. Met zijn 63 jaar ten tijde van de Spelen werd Israëls Neerlands oudste Olympisch kampioen ooit  - een record dat wel nooit meer verbeterd zal worden.<br><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="medal1"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/reiter.jpg"><img alt="reiter.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/reiter-thumb.jpg" width="206" height="217" /></a>
<br>
<br><i>‘Ruiter in rode rok’ van Isaac Israëls. De ruiter is J.P. Leeuwenburgh, op zijn paard Tristan.</i>]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/gouden_medaille.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/gouden_medaille.html</guid>
<category>Gouden medaille</category>
<pubDate>Fri, 20 Jun 2008 12:21:43 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Olympisch vuur (2)</title>
<description><![CDATA[Nog steeds is de traditie van het olympisch vuur springlevend. Al maanden voor de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Peking ging de vlam op wereldtournee en hij werd overal met alle égards ontvangen. Niet door iedereen overigens, want op vele plaatsen gebruikten betogers de komst van de vlam om te protesteren tegen de Chinese bezetting van Tibet. Vaak probeerden ze daarbij de vlam te doven: de symboliek van het olympisch vuur is onverminderd sterk. Tijdens de Spelen wordt het olympisch vuurtje ook in Amsterdam weer aangewakkerd, letterlijk zelfs. Zodra een Nederlandse atleet in Peking een medaille wint, zal het vuur voor even terugkeren in de schaal op de Marathontoren. De opdracht daarvoor werd, net als tijdens de Olympische Spelen in Sydney, gegeven aan vuurkunstenaar Erik Hobijn: “Je kunt die vlam wel laten branden gedurende de hele Olympische Spelen, maar wij kiezen liever voor kwaliteit boven kwantiteit. En Amsterdam is een creatieve stad – ‘wij’ hebben het olympisch vuur tenslotte bedacht – dus ik wil er wel iets bijzonders mee doen.” Een beperking voor Hobijns plannen is de oude, betonnen vuurschaal van de Marathontoren. Die kan slechts beperkt tegen hitte. Hobijn: “In 1928 brandde het olympische vuur op veengas, wat we tegenwoordig biogas zouden noemen: gas verkregen door gisting van plantaardig restmateriaal. Dat roette meer dan dat het brandde, de temperatuur werd nooit heel hoog. Dat is nu anders. Wil je nu de hele schaal in lichterlaaie zetten, dan moet er eerst een beschermingslaag tussen. We hebben in 2004 in de gasvlam een vlammenwerper gebouwd die een steekvlam van vijftien meter hoog maakte.” Niet dat Hobijn van plan is om nu weer zo’n groot vuur te maken, zegt hij er snel bij. “Ik vind het een eer om het olympisch vuur weer te laten branden, dus ik ga er iets speciaals van maken. Ik maak een kleine vlam die een vuurring wegschiet. Door de wind zal dat wel een wolk worden, maar als het windstil is, kun je zeker een rookring zien. Die kan mooi wegdrijven: dan weet iedereen dat er een bijzondere prestatie is geleverd.” Wie Hobijns vuurringen wil bewonderen, moet tussen 8 en 24 augustus gaan kijken bij het Olympisch Stadion. En duimen dat de Nederlandse atleten medailles winnen.<br><br>

<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="vuur_twee_een"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>
]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/olympisch_vuur_1.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/olympisch_vuur_1.html</guid>
<category>Olympisch vuur 2</category>
<pubDate>Fri, 20 Jun 2008 12:19:11 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Olympisch vuur (1)</title>
<description><![CDATA[Voor het eerst in de geschiedenis werd tijdens de Olympische Spelen van Amsterdam, in 1928, een vlam ontstoken. Het was een idee van architect Jan Wils, die tekende voor het ontwerp van het olympisch stadion. Voor de ingang van het stadion had hij een mooie toren, de Marathontoren, bedacht, met bovenop een schaal voor een vlam, die zou branden zolang de Spelen aan de gang waren. Opmerkelijk genoeg werd deze eerste olympische vlam niet ontstoken door een sportende beroemdheid, maar gewoon door een medewerker van het Amsterdamse gasbedrijf. Pas voor de Spelen van Berlijn in 1936 werd de vlam ontstoken in het Griekse Olympia, de bakermat van de moderne Olympische Spelen, door met spiegels het zonlicht te weerkaatsen op een fakkel. De eerste drager van de olympische vlam werd de Griek Konstantinos Kondylis en via een estafette werd de vlam naar de openingsceremonie in Berlijn gebracht. Daar was de Duitse 1500 meter-kampioen Fritz Schilgen de eerste sporter die het vuur mocht ontsteken. Een olympische traditie was geboren – met dank aan Jan Wils.<br><div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="vuur_een1"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>
<br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Olympisch_vuur.jpg"><img alt="Olympisch_vuur.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/Olympisch_vuur-thumb.jpg" width="320" height="240" /></a><br>

]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/olympisch_vuur.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/olympisch_vuur.html</guid>
<category>Olympisch vuur 1</category>
<pubDate>Fri, 20 Jun 2008 12:14:56 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>GLOOP: Dorpsplein, stadshart, toegangspoort</title>
<description><![CDATA[Openbare ruimte kun je op verschillende manieren vullen. Daar waar geen auto’s rijden, bomen groeien of gebouwen staan, kun je de inrichting van het oppervlak tamelijk eenvoudig naar je hand zetten. Door de ruimte open te laten. Of juist door de ruimte te vullen, met kunstwerken, speeltoestellen of terrasjes. Het hangt er maar vanaf wat de functie en de betekenis is van de betreffende open plek. Wie maken er gebruik van? Zijn dat bewoners, forensen, bezoekers? Elke groep heeft eigen voorkeuren, wensen, verlangens. De enige manier om tot optimale invulling van zo’n ruimte te komen is iedereen inspraak te geven. Maar dat is lastig; een ruimte kan maar één invulling krijgen. Toch?
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="glooop1"></div>

<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/92_GloopInteractive_small.jpg"><img alt="92_GloopInteractive_small.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/92_GloopInteractive_small-thumb.jpg" width="320" height="213" /></a><br><br>

Nee. Kijk maar naar internet. Daar wemelt het van de publieke ruimtes, die voortdurend van samenstelling, invulling, karakter en betekenis veranderen. Wat vroeger op het plein plaatsvond, ziet men nu op internet: van roddels bij de dorpspomp en ontmoetingen in het voorbijgaan tot stiekeme afspraakjes in een donker hoekje. Waar onder invloed van toenemende individualisering en – soms – onveiligheid het onderlinge contact op straat afneemt, bloeit het op internet als nooit tevoren. De digitale wereld is dorpsplein, stadshart en toegangspoort ineen: daar vinden we elkaar.<br>

Hoe brengen we die levendige, bruisende wereld van internet nu weer in contact met de ‘echte’ wereld, met de wereld vol mensen van vlees en bloed? 3F Factory, in 2007 opgericht door Freek Dech en Quirijn Haak, realiseert in een vijftal steden een ‘gallery for user generated and interactive media art’. Dech: “Het idee van zo’n galerie is dat bezoekers annex gebruikers invloed hebben op de kunst die er te zien is. User generated content is op internet overal: in weblogs, op fotosites – kijk ook naar het succes van Youtube. Dankzij alle communicatietechnologie geven we die interactiviteit de ruimte in onze galerie. Maar waarom niet ook erbuiten?”

<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="glooop2"></div>
<br><br>
Architectenbureau Elastik tekende vervolgens een interactief paviljoen, dat aan de binnenzijde ruimte biedt voor exposities, vergaderkamers en een theaterzaaltje. Het dak is een tribune, die zicht geeft op de straat voor het paviljoen – daar kunnen allerlei culturele evenementen plaatsvinden. De buitenmuren vormen een groot interactief beeldscherm, dat weergeeft wat de voorbijganger maar wil. Igor Kebel van Elastik: “Het is een fysieke vorm van de sociale netwerken die op internet zo succesvol zijn: het paviljoen faciliteert interactie tussen mens en gebouw, tussen mensen onderling en tussen internet en de echte wereld. Je kunt langslopen en via bepaalde interfaces je eigen inhoud op het gebouw weergeven, maar ook vanaf huis via internet het beeld bepalen.” Dech: “Het ontwerp leent zich ervoor om tijdelijk bij grote bouwlocaties te staan: de plannen en ontwikkelingen kunnen er mooi op worden weergegeven. Maar er kan meer. Wil je een mededeling achterlaten voor je buurman? Jouw vakantiefilm tonen? Beelden laten zien uit online fotoverzamelingen als FlickR? Een discussie starten over de inrichting van de openbare ruimte in jouw wijk? Alles kan. En omdat sociale netwerken zelfregulerend zijn, bepalen de mensen die het zien hoe lang een bijdrage zichtbaar blijft.” Het concept heet Gloop, een samenstelling van loop en glocal, dat weer een samenstelling is van global en local. En dat is precies wat het is: tegelijk plaatselijk en wereldwijd, online én offline, virtueel en echt. Dorpsplein, stadshart en toegangspoort.
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="glooop3"></div>
<br><br><a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/92_Press_Elastik_Gloop_02_small.jpg"><img alt="92_Press_Elastik_Gloop_02_small.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/92_Press_Elastik_Gloop_02_small-thumb.jpg" width="320" height="213" /></a>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>


]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/gloop_dorpsplei.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/gloop_dorpsplei.html</guid>
<category>Interactief paviljoen</category>
<pubDate>Fri, 20 Jun 2008 11:53:57 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Speelse ontwerpen</title>
<description><![CDATA[<b><i>De plek van kinderspeelplaatsen in stedelijke architectuur</i>
<br><br>

Honderd jaar geleden besloeg het speelveld van een kind zijn of haar totale stad of dorp. In de jaren vijftig was dat geslonken tot de achtertuin en tegenwoordig is het speelveld beperkt tot een computerscherm. Het resultaat? Van de Nederlandse kinderen is zo’n 17 procent te zwaar, in armere buurten zelfs 30 procent. Volgens onderzoek door TNO komt dat niet, zoals we vaak denken, door de onweerstaanbare aantrekkingskracht van computerspelletjes, maar simpelweg omdat kinderen te weinig mogelijkheden hebben om buiten te spelen.<br></b>
<i>Door: Jane Szita<br></i>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="play1"></div>
<br>

Van dit onderzoek wordt melding gemaakt in Ground-Up City; Play as a design tool, een boek van architectuurtheoretica Liane Lefaivre en architect Henk Döll, die een hartstochtelijk pleidooi houden om het spelen naar het niveau te tillen van design en stadscultuur: “De speelplaats heeft een bijzondere functie in de openbare ruimte. Spelen brengt mensen samen.”<br><br>

<b>Centrale publieke ruimtes</b><br>
Het uitgangspunt van het boek is dat speelplaatsen bijna nooit worden gezien in termen van architectonisch ontwerp. Ze liggen vaak in niet-populaire delen van de stad, geïsoleerd van de stedelijke structuur en aan hun ontwerp ligt vooral veiligheid ten grondslag. Moderne speelplaatsen zijn vaak wat armoedige, onbetekenende plekken, terwijl Lefaivre en Döll ze graag als centrale publieke ruimtes zouden zien. Er zijn ook maar weinig architecten die zich hebben beziggehouden met de kinderwereld, met uitzondering van Aldo van Eyck. In naoorlogs Amsterdam bouwde hij een opmerkelijke serie van meer dan 700 speelplaatsen, waarvan 90 min of meer in hun oorspronkelijke staat zijn gebleven. Zijn werk vormde de inspiratie voor dit boek, aldus Lefaivre: “Ik had het idee dat de sleutel tot het verbeteren van de communicatie in stadswijken lag in het revitaliseren van dit historische voorbeeld.”<br>
Lefaivre is professor aan de Universiteit van Toegepaste Kunsten in Wenen en onderzoeker aan de Technische Universiteit Delft. Zoals je mag verwachten van een theoreticus en van een praktiserend architect, is Ground-Up City een mengeling van geschiedenis en theorie, met praktische toepassingen. Lefaivre behandelt een keur aan projecten in binnenstad en buitenwijk die speelsheid uitstralen, zoals het beroemde Unité d’Habitation-flatgebouw van Le Corbusier in Marseille, met op het dak een complete speeltuin. 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="play2"></div>
<br>

<b>50 speelplaatsen per jaar</b><br>
In zijn boek The embarrassment of riches noemt de Britse historicus Simon Schama de afbeelding van ‘kinderspelen’ in stedelijke omgevingen uniek voor de Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw. De alomtegenwoordigheid van kinderen in andere Nederlandse kunstvormen onderstreept dit. Deze “eigenaardige preoccupatie met kinderen en hun spel”, zoals Schama het betitelt, diende een heel praktisch nut: het inprenten van republikeinse waarden als vrijheid, gelijkheid en gemeenschapszin bij kinderen, al vanaf jonge leeftijd. Zo blijkt dat de speelplaatsen van Aldo van Eyck in een Nederlandse traditie staan die al zo’n 500 jaar oud is. In Ground-up City staat een illustratie van een zestiende-eeuws schilderij van Hendrick Avercamp, waarop een houten speelwerktuig is afgebeeld dat je ook op moderne speelplaatsen aantreft, inclusief die van Van Eyck. De Nederlanders hebben de speelplaats uitgevonden, zo lijkt het. <br>
Toch waren er in 1947 in Amsterdam slechts 30 speelplaatsen. In 1968 waren er 1000. Wat voor opmerkelijks is er in die tussenliggende 20 jaar gebeurd? Hoe kan het dat er per jaar zo’n 50 speelplaatsen bijkwamen? Volgens Lefaivre is een van de belangrijkste oorzaken de naoorlogse golf van ‘child empowerment’, die onder andere resulteerde in de VN-declaratie van de Rechten van het Kind en het opvoedkundige boek van Dr. Spock. In de stedelijke theorie kwam ‘de gemeenschap’ centaal te staan, evenals voor een nieuwe generatie architecten als Aldo van Eyck. De Amsterdamse speelplaatsen tonen het nieuwe belang van kinderen en gemeenschap in de naoorlogse gedachtegang. Wat ze echter uniek maakt, stelt Lefaivre, is dat ze “deel uitmaakten van een geïntegreerde stedelijke planologie. Ze vormden een polycentrisch net van openbare ruimten, waaromheen een gemeenschap ontstond, leidend tot microstedelijke dorpen. Ze verstoorden de stedelijke textuur om hen heen niet, integendeel: ze kregen de overgebleven plekken toegewezen, de lege tussenruimtes.”
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="play3"></div>
<br>

<b>PIP-principe</b><br>
De speelplaatsen drongen zo binnen in het weefsel van de stad, en, misschien nog wel essentiëler, ze konden niet meer voldoen aan de vraag. De stadsarchieven bevatten meer dan 190 brieven van Amsterdamse inwoners die om een speeltuin verzoeken. Officiële documenten laten zien dat ambtenaren even toegewijd waren aan de zaak als de burger.
Met name architect en stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren en zijn opvolgster Jakoba Mulder speelden als hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de dienst der Publieke Werken in Amsterdam hierin sleutelrollen. Lefaivre: “Een vorm van steun die ongekend was.”
Uit deze unieke omstandigheden in naoorlogs Amsterdam leidt Lefaivre het PIP-principe af: Participatie, Interstitieel en Polycentraal. Speelplaatsen zouden participerend moeten zijn: “niet van bovenaf opgelegd door een stadsbestuur, maar deel van een door mensen gestuurd participatieproces.” Ze zouden tevens moeten opgaan in de ruimte om hen heen, dus niet geplaatst op een stuk grond dat daar speciaal voor is bestemd, maar in openingen, in tussengelegen ruimtes in de stad. Tot slot zouden ze polycentrisch moeten zijn; geen geïsoleerde individuele eenheden, maar “deel van een uitgebreid polycentrisch netwerk van speelplaatsen.” <br>
Vanzelfsprekend proberen Lefaivre en Döll dit PIP-principe op basis van de Amsterdamse speelplaatsen, waarschijnlijk het meest succesvolle stedelijk-planologische instrument van de twintigste eeuw, toe te passen in de praktijk. Ze kiezen daarvoor Rotterdam, een stad die in zijn naoorlogse planologie niet zo fortuinlijk was als Amsterdam. In Rotterdam legden stadsontwikkelaars de prioriteit in het gebruik van de openbare ruimte bij de auto: niet toevallig is Rotterdam nu de minst kindvriendelijke stad van Nederland. Het is tevens een van de meest multiculturele steden, met 40% immigranten.
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="play4"></div>
<br>

<b>Tussenruimte</b><br>
De twee Rotterdamse locaties die voor de case-study werden geselecteerd hebben verschillende kenmerken: Oude Westen is een negentiende-eeuwse binnenstadswijk, flink bebouwd en druk, terwijl Hoogvliet een uitgestrekte buitenwijk is, daterend van halverwege de twintigste eeuw, met veel groene ruimte eromheen. Beide wijken zijn relatief arm en worden tot op zekere hoogte gerenoveerd. Met de PIP-methode in het achterhoofd vroegen de schrijvers lokale instellingen om hulp bij het organiseren van participerende sessies met kinderen, bestaande uit gesprekken en buurttochten met camera’s. “Om erachter te komen hoe hun speelcultuur eruit ziet.”<br>
De stadskinderen uit Oude Westen blijken voorspelbaar ‘streetwise’ te zijn en “extreem creatief in het vinden van dingen om mee te spelen, in elk portiek en op iedere straathoek.” Vanwege het lagere aantal kinderen in Hoogvliet is spelen daar een minder spontane activiteit; vanwege de ruimtelijkheid van de wijk moeten kinderen afspraken met elkaar maken of hun ouders vragen om ze naar speelplekken te brengen. <br>
Door het PIP-principe toe te passen creëerde Döll een driedimensionaal netwerk voor Oude Westen, bestaande uit een eerste ‘tussenruimte-laag’ van speelplekken die op een natuurlijke manier ontstaan op kleine, lege plaatsen. Daarnaast is er een ‘themalaag’: een netwerk van verschillende plekken waarbij de thema’s geselecteerd zijn op basis van de interesses van kinderen: van ‘wasstraat’ tot ‘bling’. Overkoepelend is er een laag die al deze plekken met elkaar verbindt, via kleine, verkeersvrije wandelpaadjes. 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="play5"></div>
<br>

<b>Sociale structuur</b><br>
In Hoogvliet wordt PIP anders ingezet. De thema’s, dit keer ontleend aan karakteristieke elementen in het landschap, vormen de bodemlaag, de ‘tussenruimteplekken’ vormen de middenlaag en beide worden weer met elkaar verbonden door de toplaag. Hier is het doel niet om het “ruimtelijke gevoel opnieuw leven in te blazen”, zoals in Oude Westen, maar om de “monotone ruimte terug te brengen tot een schaal die harmoniseert met de sociale structuur.” Dit is uiteraard een probleem dat Aldo van Eyck nooit heeft gekend; hoe het PIP-principe zich laat vertalen in uitgestrekte, op autovervoer gebaseerde buitenwijken staat nog te bezien. Theoretisch ziet het er veelbelovend uit, maar of deze studies ook in praktijk zullen worden gebracht is onzeker. Lefaivre: “We hebben ondervonden dat de huidige Nederlandse politiek niet zo dynamisch en snel is als vijftig jaar geleden.”<br>
Het lijkt erop dat de eerste realisatie van een PIP-ontwerp zal plaatsvinden in de Villa Tranquilla-buurt in Buenos Aires. Maar gelukkig weet een stad zelfs zonder goed ontworpen speelplaatsen toch geschikte publieke plekken te vinden waar gespeeld kan worden, van geveltuinen en geïmproviseerde verhogingen tot trottoirs met krijttekeningen en andere welwillende gebaren. “Want speelruimte”, zo stellen Döll en Lefaivre, “is iets voor alle leeftijden, in elke plaats.”
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="play6"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>

]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/speelse_ontwerp.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/speelse_ontwerp.html</guid>
<category>Speelse ontwerpen</category>
<pubDate>Thu, 19 Jun 2008 12:05:00 +0000</pubDate>
</item>
<item>
<title>Stedelijke landbouw</title>
<description><![CDATA[<b>Als je ervan uitgaat dat het verbouwen van voedsel alleen op het platteland plaatsvindt, dan heb je het goed mis. Na tientallen jaren buiten de stad in afzondering te hebben doorgebracht, komt de landbouw weer terug binnen de stadsgrenzen. Hoewel het decennialang een karakteristiek beeld was in veel zich ontwikkelende steden, is stedelijke landbouw pas in de afgelopen vijftien jaar ontdekt door planologen en architecten. Het blijkt een uiterst strategisch middel om ‘duurzame’ steden te bouwen. </b>
<br><i>Door: Debra Solomon</i><br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="landbouw1"></div>
<br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/debra-pueblo_grifo_nuevo_thumb.jpg"><img alt="debra-pueblo_grifo_nuevo_thumb.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/debra-pueblo_grifo_nuevo_thumb-thumb.jpg" width="320" height="254" /></a>
<br><br>
De grootste uitdaging van de stedelijke landbouw is integreren met de stadsplanologie en de infrastructuur, op zo’n manier dat stedelingen er ook van kunnen profiteren. Stedelijke landbouw is een aanvulling op de plattelandse agricultuur en zorgt voor een verhoogde efficiëntie van het nationale voedselsysteem door het direct leveren van bederfelijke waar, zoals groenten, verse melk en gevogelte, aan dichtbevolkte gebieden. Daarmee worden de ‘voedselkilometers’, de afstand tussen veld en vork, sterk verkort en ontstaat tevens een variëteit aan werk en inkomen in de steden. <br>
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="landbouw2"></div>
<br>
<b style="font-size:10px; font-weight:normal">
•	In Dar es Salaam (Tanzania) maakt stedelijke landbouw minstens 60 procent uit van de informele werkgelegenheidssector, waarmee het de op twee na grootste werkverschaffer is (20%). In 1991 werd de gemiddelde jaarlijkse winst van een ‘stedelijke boer’ geschat op eenzesde van een minimum jaarsalaris.<br><br>
•	In Addis Abeba (Ethiopië) kunnen zelfs de meest kleinschalige ‘achtertuinboeren’ grote winsten behalen. <br><br>
•	In het Nairobi van de vroege jaren negentig zorgde stedelijke landbouw voor de hoogste verdiensten van alle kleinschalige ondernemingen en tevens voor het derde hoogste inkomen van heel stedelijk Kenia.<br><br>
•	In Mexico Stad kan de productie van varkensvlees leiden tot een verbetering van 10-40% van het inkomen, bij groenteproductie is dat zelfs 80 % en bij de productie van koeienmelk liefst 100%.<br><br>
</b>

Dat zijn nog eens cijfers! Afgezien van de economische voordelen voor stadsboeren, stimuleert stedelijke landbouw de ontwikkeling van microbedrijfjes die zich bijvoorbeeld bezighouden met het verzamelen en composteren van stadsafval, het produceren van organische pesticiden, het vervaardigen van gereedschap en het verzorgen van watertoevoer. Stedelijke landbouw is zo meteen een oplossing voor afvalverwerking, omdat het stedelijk afval wordt omgezet in een grondstof voor voedselproductie. Stedelijke landbouw kan een stad tevens ‘groener’ maken door lege en ongebruikte plekken te transformeren tot groene zones met marges die vrij zijn van bebouwing. Ook heeft het een positieve invloed op het stedelijke microklimaat voor wat betreft schaduw, temperatuur en uitstoot van CO2. 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="landbouw3"></div>
<br>

<b>Lichtend voorbeeld Cuba</b><br>
Hét voorbeeld van succesvolle stedelijke landbouw is Cuba. In de jaren negentig kwam het eiland in een diepe economische crisis terecht toen het in de uiteengevallen Sovjet Unie zijn grootste exportcliënt (80%) én z’n grootste leverancier van benzine en kunstmest kwijtraakte. Tot dan toe importeerde Cuba 100% van zijn graan, 57% van zijn kilocalorieën, 48% van zijn kunstmest en 97% van zijn diervoeder. Op het hoogtepunt van de crisis was de voedselvoorraad in Cuba gereduceerd met liefst 70%. Als reactie op deze kritieke situatie ontstonden spontaan individuele initiatieven tot stedelijke landbouw, later gesteund door de overheid. Binnen een jaar maande de Cubaanse overheid haar burgers om ieder geschikt stukje land te gebruiken voor het verbouwen van voedsel; de overheid stimuleerde dit door burgers toegang te geven tot landbouwkundige onderzoeken, workshops en alle mogelijke manieren van infrastructurele hulp. 
<br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/debra_dsc06391.jpg"><img alt="debra_dsc06391.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/debra_dsc06391-thumb.jpg" width="240" height="320" /></a>
<br>
Cuba was vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw al aan het investeren in sterke netwerken tussen wetenschap en landbouw. Een van de vaakst genoemde redenen voor het enorme succes van stedelijke landbouw is de ontwikkelde, goed opgeleide stedelijke bevolking, die openstond voor het idee van landbouw in de stad en bereid was deel te nemen aan dit netwerk. Tegenwoordig wordt Cuba beschouwd als een levendig voorbeeld van hoe kleine stadsboerderijtjes en tuinbouwcollectieven een belangrijk aandeel kunnen leveren in de voedselvoorziening, ondanks grote energietekorten of financiële crises.
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="landbouw4"></div>
<br>

<b>Het Voortdurend Productieve Stedelijke Landschap (VPSL)</b><br>
Het Londense architectenbureau Bohn & Viljoen pleit ervoor om stedelijke landbouw ook te ontwikkelen in Europese steden en schetst in een aantal scenario’s hoe dit geïmplementeerd kan worden in een Europese context. In hun boek CPULs. Continuous Productive Urban Landscapes: designing urban agriculture for sustainable cities stellen Bohn & Viljoen voor om van productieve stadslandschappen doorlopende ruimtes te maken. Deze nieuwe stedelijke ontwerpstrategie zou steden een tot nu toe ongekende naturalistische uitstraling geven. Daarbij valt te denken aan kleinschalige, professionele stadslandbouw, mooi ontworpen volkstuintjes, verhoogde biodiversiteit, informele microbedrijfjes, afname van kooldioxide-uitstoot, uitgebreide autovrije passages en strategisch met elkaar verbonden groene ruimtes. 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="landbouw5"></div>
<br>

Bohn & Viljoen bespreken de voordelen en mogelijke bezwaren van hun VPSL-voorstel en komen met krachtige strategieën om een stedelijk landgebruikbeleid te creëren dat het stedelijke ‘groen’ en ‘bruin’ beschouwt als productieve elementen, waarbij niet-bebouwde plekken even intensief functioneren in het stadsweefsel als de bebouwde. <br><br>

Door het verweven van landbouwzones met het reeds bestaande stedelijke groen en bruin, met boerenmarkten en met recreatieruimtes, wordt het menselijk welzijn in dit plan de centrale onderscheidende en zelfs zeer verleidelijke factor. Bohn & Viljoen wijzen erop dat, hoewel Europese steden op zeer verschillende wijze gebruik maken van de open ruimte – van stadsparken en rivieroevers tot pleinen, stadsbosjes en stadsstranden – er tot dusver nog geen stedelijke velden zijn. Het kweken en verbouwen van voedsel in de huidige stedelijke ruimte zou de VPSL’s formeel en programmatisch gezien gelijkstellen aan stadsparken. <br><br>

Een aantal positieve aspecten van stedelijke landbouw behelst onder meer toegang tot gezonder voedsel, een potentieel actievere levensstijl, een grotere voedselonafhankelijkheid, een gevoel van verbondenheid met plaats en product en een opleving van de lokale identiteit. Het is een inspirerende gedachte dat landschapsarchitectuur een centrale rol kan spelen bij het ontwerpen van een toekomst waarin de stedelijke voedselvoorziening een niet te missen impact zal hebben op de structuur en kleur van stedelijke cultuur. 
<div style="background:#DBF1B0" class="js-kit-comments" permalink="" path="landbouw6"></div>
<script src="http://js-kit.com/comments.js"></script><br>
<a href="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/debra-pastorita-aerial-thumb.jpg"><img alt="debra-pastorita-aerial-thumb.jpg" src="http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/debra-pastorita-aerial-thumb-thumb.jpg" width="320" height="175" /></a>

]]></description>
<link>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/stedelijke_land.html</link>
<guid>http://www.poly-xelor.com/oolympia/archives/2008/06/stedelijke_land.html</guid>
<category>Stedelijke landbouw</category>
<pubDate>Wed, 18 Jun 2008 14:33:42 +0000</pubDate>
</item>


</channel>
</rss>
